gebed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: gebetGebet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebed gebeden
verkleinwoord gebedje gebedjes

Zelfstandig naamwoord

gebed o

  1. het bidden.
     De tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.[3]
    • Gebed: Moeder Maria, bevrijd ons van Poetin (Pussy Riot) 
    • Alles draait in dienst in Baptistenkerk om het thema dankbaarheid. Of het nu het gebed, de preek, een klein toneelspel of de tekst van psalmen, gezangen en liederen, is, alles daat erom dat mensen in het leven dankbaar moeten zijn. [4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van: bedden
verbogen vorm: gebede

gebed

  1. voltooid deelwoord van bedden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Angelsaksisch

Uitspraak
enkelvoud meervoud
ġebed ġebedu

Zelfstandig naamwoord

ġebed o

  1. gebed
    «Hie to gebede feollon.»
    Zij vielen op hun knieën ten gebede.