eindje
Uiterlijk
- eind·je
het eindje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord eind
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord einde
- ▸ Ook Annet blijkt een verrassend goede conditie te hebben; ze loopt een eindje achter ons.[1]
- ▸ Af en toe, een keer per jaar misschien, leverden die beunhazen hem per ongeluk een veel te goed rund en dan leefde hij zich uit, begon hij zelfs de haas te pellen, verwijderde eerst de vliezen bovenop, dan die onder de kop en ten slotte het zeentje dat een klein eindje in het vlees zit.[2]
- Het woord eindje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "eindje" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ Manik Sarkar“Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %