eindspurt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eind·spurt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eindspurt eindspurten
eindspurts
verkleinwoord eindspurtje eindspurtjes

Zelfstandig naamwoord

eindspurt [1]

  1. een versnelling op het einde van een project om het te voltooien
    • Er is bij de Olympische Spelen altijd een eindspurt nodig, om alle stadions op tijd klaar te krijgen. 
  2. een versnelling op het einde van een wedstrijd om de concurenten vóór te blijven
    • Met een grandioze eindspurt wist hij de wielerwedstrijd te winnen. 
    • Met een eindspurt veroverde de dubbelvier zilver. „We gingen voor goud, we hadden de Duitsers kunnen hebben.” [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Harry Meijer 11 augustus 2016