einddoel

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eind·doel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord einddoel einddoelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

einddoel o [1]

  1. dat wat je uiteindelijk wilt bereiken
    • Klaver zei het te betreuren dat de onderhandelingen zijn mislukt omdat zijn partij "dolgraag" had willen regeren. "Als er ook maar een kleine mogelijkheid was om nu een kabinet te vormen, dan hadden we die gepakt. Maar die was er helaas niet. Veel dingen kun je uitruilen, maar sommige zaken niet." Hoewel hij weinig over het verloop van de onderhandelingen kon zeggen, gaf Klaver aan dat GroenLinks bereid was om compromissen te sluiten op het gebied van klimaat en milieu. Daar gaat het GroenLinks om het einddoel, namelijk de afspraken uit het Parijs-akkoord. De partij had daarom best kunnen accepteren dat het systeem van rekeningrijden niet zou worden ingevoerd, zei Klaver.[2] 
    • Op mijn fietscomputer telt nog maar één getal: 1.962 meter. Afgelegde afstand, snelheid, de tijd, ze doen er niet meer toe. Ik zie alleen nog de hoogtemeter, die veel te langzaam naar het einddoel telt. De beklimming van de Grosse Scheidegg, een bescheiden Zwitserse Alp, is dan toch nog een oneerlijk gevecht geworden. Terwijl de start zo zoet was. Zwitserse plaatsen, altijd het onderspit delvend tegen de hen omringende Alpenreuzen, tellen hun zegeningen.[3]  
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Pim van den Dool mei 2017
  3. Volkskrant Bart Koetsenruijter 8 april 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be