ding

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ding dingen
verkleinwoord dingetje dingetjes

Zelfstandig naamwoord

ding o

  1. een voorwerp dat geen dier of mens is
    • Hij behandelde zijn vrouw altijd een ding, het verbaasde dan ook niemand toen zij van hem wegliep. 
  2. (informeel) een meid
    • De oude rijke man trouwde voor de zoveelste keer een nieuw jong ding. 
  3. (informeel) een penis
  4. (verouderd) een samenkomst waar recht gedaan wordt (oorspronkelijke betekenis), zie geding
  5. gebeurtenis
    • De oude vrouw dacht vaak aan dingen van vroeger. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dingen

ding

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
    • Ik ding. 
  2. gebiedende wijs van dingen
    • Ding! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
    • Ding je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen