geval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak


Woordafbreking
  • ge·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geval gevallen
verkleinwoord gevalletje gevalletjes

Zelfstandig naamwoord

geval o

  1. één bepaalde mogelijkheid uit meerdere mogelijke
    • In het ene geval kunnen we er nog wat aan doen, in het andere geval hebben we echt een probleem. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gevallen

geval

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gevallen
    • Ik geval. 
  2. gebiedende wijs van gevallen
    • Geval! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gevallen
    • Geval je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen