beding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beding bedingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beding o [2] [3]

  1. een bij onderhandeling overeengekomen voorwaarde
    • Onder geen beding komt hij hier weer in huis. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bedingen

beding

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedingen
    • Ik beding. 
  2. gebiedende wijs van bedingen
    • Beding! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedingen
    • Beding je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen