bui

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] (regen)bui
[2] boze bui
Uitspraak
Woordafbreking
  • bui
enkelvoud meervoud
naamwoord bui buien
verkleinwoord buitje buitjes

Zelfstandig naamwoord

bui v/m

  1. (meteorologie) een kortstondige periode van neerslag
    • De plotselinge bui zorgde voor veel ongelukken op de weg. 
  2. een voorbijgaande stemming
    • Hij was in een slechte bui toen hij om drie uur 's nachts gebeld werd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Atjehs

Zelfstandig naamwoord

bui

  1. (zoogdieren) varken Sus scrofa domesticus op Wikispecies


Indonesisch

Woordafbreking
  • bui
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Nederlands boei een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden

Zelfstandig naamwoord

bui

  1. (spreektaal) gevangenis
Synoniemen


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse boei.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bui     buinan  

Zelfstandig naamwoord

bui

  1. (scheepvaart) boei
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Aruba: boei.