buiig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

buiig weer in Den-Haag
Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van bui met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen buiig buiiger buiigst
verbogen buiige buiigere buiigste
partitief buiigs buiigers -

Bijvoeglijk naamwoord

buiig

  1. regenachtig, met buien
    • In die buiige periode gebeurden er veel ongelukken. 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be