hoestbui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoest·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoestbui hoestbuien
verkleinwoord hoestbuitje hoestbuitjes

Zelfstandig naamwoord

hoestbui v/m

  1. een onverwachtse aanval van hoest
    • Ze kreeg ineens een hoestbui. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be