lachbui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lach·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lachbui lachbuien
verkleinwoord lachbuitje lachbuitjes

Zelfstandig naamwoord

lachbui v/m

  1. een aanval van aanhoudend gelach
    • Toen de leraar uitgleed over de bananenschil kregen de leerlingen een lachbui. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.