onweersbui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·weers·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onweersbui onweersbuien
verkleinwoord onweersbuitje onweersbuitjes

Zelfstandig naamwoord

onweersbui v/m

  1. (meteorologie) een regenbui met bliksem en donder
    • Een vreselijke onweersbui trok over het land, waarbij verschillende boerderijen in brand vlogen. 
    • 'Woensdag is er kans op supercellen; roterende onweersbuien. Die kunnen windhozen veroorzaken. Dat is het ultieme om vast te leggen.' [1] 
Synoniemen
  1. donderbui
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Het Parool 18 juni 2013 Eerste tropische dag van het jaar in Nederland
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be