beurs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

beurs van Berlage [4]
Uitspraak
Woordafbreking
  • beurs
enkelvoud meervoud
naamwoord beurs beurzen
verkleinwoord beursje beursjes

Zelfstandig naamwoord

beurs v/m

  1. (economie), (handel) het beursgebouw waar effecten (waardepapieren) gekocht en verkocht worden
    De Amsterdamse beurs was gevestigd aan het Damrak
  2. een houder voor munten en biljetten
    Hij had zijn beurs in zijn kontzak.
  3. (financieel) toelage voor iemand die studeren wil
    Kinderen van arme ouders krijgen een beurs van de overheid.
  4. (financieel), (handel) tentoonstelling waar producenten in een bepaalde brache, nieuwe producten tonen, of het gebouw waarin zulke tentoonsellingen gehouden kunnen worden
    Veel huisvrouwen gaan naar de huishoudbeurs
  5. een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen.
  6. (medisch) slijmbeurs (een kleine zakvormige holte gevuld met een visceuze vloeistof, welke dient als stootkussen op plaatsen, waar druk of wrijving bestaat)
    Hij had een rood gezwollen knie door een ontsteking van de slijmbeurs voor de knieschijf (bursitis praepatellaris).
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beurs beurser beurst
verbogen beurse beursere beurste

Bijvoeglijk naamwoord

beurs

  1. overrijp, buikziek
  2. beschadigd
Vertalingen

Meer informatie