fair

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: fáir

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fair
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fair fairder fairst
verbogen faire fairdere fairste
partitief fairs fairders -

Bijvoeglijk naamwoord

fair [2]

  1. eerlijk , sportief
    Dat is niet fair riep de student die een onvoldoende voor zijn examen had gehaald.
Antoniemen
Gangbaarheid
97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Engels

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

fair

  1. rechtvaardig
  2. eerlijk
  3. behoorlijk


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /fɛːr/


Woordafbreking
  • fair


Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Bijvoeglijk naamwoord

fair

  1. (spreektaal) (sport) eerlijk, eervol
Schrijfwijzen
Verbuiging
  • Onverbogen
Synoniemen
Antoniemen
Typische woordcombinaties


Bijwoord

fair

  1. (spreektaal) (sport) eerlijk, eervol
Schrijfwijzen
Synoniemen


Verwijzingen