klandizie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klan·di·zie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klandizie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

klandizie v [2]

  1. de klanten van een winkel of bedrijf
    • Gendia wil dat de staat het aanbieden van de NIPT staakt tot de Europese Commissie erover heeft geoordeeld. „Wij hebben de NIPT aan Nederlandse vrouwen geïntroduceerd en nu worden we opzijgeschoven”, vindt Willems. „Bovendien is niet bekend welke NIPT de UMC’s gaan gebruiken en wat de betrouwbaarheid daarvan is.” De Nederlandse klandizie van Gendia loopt al terug: „We hadden gemiddeld ruim honderd Nederlandse klanten per week, de afgelopen week 45.” Het kort geding dient volgende week woensdag.[3] 
    • Geen van de Turkse Nederlanders in de Beijerlandselaan wil met zijn naam in de krant. Want of je nu voor of tegen Erdogan bent, je wordt erop aangesproken als je iets zegt. En het kan je klandizie kosten.[4]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Kim Bos 30 maart 2017
  4. NRC Sheila KamermanLen Maessen 21 maart 2017