spurt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spurt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sprint’ voor het eerst aangetroffen in 1886 [1]
  • van Engels spurt [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord spurt spurts
spurten
verkleinwoord spurtje spurtjes

Zelfstandig naamwoord

spurt m

  1. snelle vooruitgang door een extra inspanning gedurende een korte tijd
  2. (sport) sterke tempoverhoging gedurende een korte tijd om in een race andere deelnemers af te schudden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
spurten

spurt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spurten
  2. gebiedende wijs van spurten

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw
vervoeging
onbepaalde wijs to  spurt 
he/she/it  spurts 
verleden tijd  spurted 
voltooid
deelwoord
 spurted 
onvoltooid
deelwoord
 spurting 
gebiedende wijs  spurt 

Werkwoord

spurt

  1. onovergankelijk (van een vloeistof) ineens in een grote hoeveelheid naar buiten stromen, gulpen, spuiten
  2. overgankelijk (van een vloeistof) ineens in een grote hoeveelheid naar buiten laten stromen, spuiten
  3. onovergankelijk gedurende een korte tijd heel snel vooruit gaan
enkelvoud meervoud
spurt spurts

Zelfstandig naamwoord

spurt

  1. grote hoeveelheid vloeistof die opeens naar buiten stroomt, guts, straal
  2. inspanning om in een korte tijd snel vooruit te gaan, sprint
Overerving en ontlening