ontzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
ontzetten ontzettend
ontzet ontzet
ontzetting
Woordafbreking
  • ont·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontzetten
ontzette
ontzet
zwak -t volledig

Werkwoord

ontzetten

  1. (overgankelijk) (militair) het opheffen van een belegering
    Zij wisten de stad eindelijk te ontzetten.