ontzetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| ontzetten | ontzettend |
| ontzet | ontzet |
| ontzetting | |
Woordafbreking
- ont·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontzetten |
ontzette |
ontzet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
ontzetten
- (overgankelijk) (militair) het opheffen van een belegering
- Zij wisten de stad eindelijk te ontzetten.