bezetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zet·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bezetten |
bezette |
bezet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bezetten
- (overgankelijk) in gebruik nemen
- De stoel is bezet door die meneer.
- (overgankelijk), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigen
- In 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet.