zitten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zitten /'zɪ.tə(n)/ |
zat /zɑt/ |
gezeten /ɣə'ze.tə(n)/ |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
zitten
- (inergatief) op het zitvlak rusten
- Ik heb lekker in het zonnetje gezeten.
- Er wordt zelden op die stoel gezeten.
- (ergatief) zetelen, plaats genomen hebben
- Hij was gezeten op een troon van goud, versierd met diamanten.
- (hulpwerkwoord) duratief hulpwerkwoord
- Daar zit verandering in te komen.
- Hij heeft die puzzel op zitten lossen.
Opmerkingen
- [3] In samengestelde tijden vervalt te.
Uitdrukkingen en gezegden
- '(in België) verveeld zitten met iets
Vertalingen
1. op het zitvlak rusten
verveeld zitten met iets
|