zitten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: sitten, zitten, setten
Oudnederlands: sitten
Germaans: *sitjanan
Indo-Europees: *sed-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: sit (Angelsaksisch: sittan), Duits: sitzen, (Oudhoogduits: sizzen), Fries: sitte (Oudfries: sitta)
Noord: Zweeds: sitta, Deens: sidde, Noors: sitte, (Oudnoors: sitja), IJslands: sitja, Faeröers: sita
Oost: Gotisch: sitan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zitten
/'zɪ.tə(n)/
zat
/zɑt/
gezeten
/ɣə'ze.tə(n)/
klasse 5 volledig

Werkwoord

zitten

  1. (inergatief) op het zitvlak rusten
    Ik heb lekker in het zonnetje gezeten.
    Er wordt zelden op die stoel gezeten.
  2. (ergatief) zetelen, plaats genomen hebben
    Hij was gezeten op een troon van goud, versierd met diamanten.
  3. (hulpwerkwoord) duratief hulpwerkwoord
    Daar zit verandering in te komen.
    Hij heeft die puzzel op zitten lossen.
Opmerkingen
  • [3] In samengestelde tijden vervalt te.
Uitdrukkingen en gezegden
  • '(in België) verveeld zitten met iets
Vertalingen