zet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zet zetten
verkleinwoord zetje zetjes

Zelfstandig naamwoord

zet m

  1. een beweging waarbij iets verplaatst wordt
    Ik hem hem een zet gegeven.
  2. een handeling gedurende een spelbeurt
    Bij schaken heeft wit de eerste zet.

Werkwoord

vervoeging van
zetten

zet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zetten
  2. gebiedende wijs van zetten
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen