opzetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- op·zet·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opzetten |
zette op |
opgezet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
opzetten
- (ergatief) in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
- Na die bijensteek zette zijn hand flink op.
- (overgankelijk) op het vuur zetten
- Heb je de aardappels al opgezet?
- (overgankelijk) beginnen lawaai te maken
- Hij zette een keel op alsof hij vermoord werd.
- (overgankelijk) taxidermie bedrijven
- De door hem gevangen veelvraat werd kundig opgezet.
Zelfstandig naamwoord
opzetten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opzet