neerzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neerzetten
zette neer
neergezet
zwak -t volledig

Werkwoord

neerzetten

  1. (overgankelijk) iets op een lagere plek plaatsen
    Ik heb de koffers in de gang neergezet.
  2. (overgankelijk), (toneel) overtuigend in kort bestek een persoon of type vertolken
    Zoals hij dat typetje even neerzette is toch heel bijzonder.
Antoniemen
Vertalingen