neerzetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- neer·zet·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| neerzetten |
zette neer |
neergezet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
neerzetten
- (overgankelijk) iets op een lagere plek plaatsen
- Ik heb de koffers in de gang neergezet.
- (overgankelijk), (toneel) overtuigend in kort bestek een persoon of type vertolken
- Zoals hij dat typetje even neerzette is toch heel bijzonder.
Antoniemen
- [1] optillen