wortel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Wortelen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wor·tel
1. enkelvoud meervoud
naamwoord wortel wortelen
verkleinwoord worteltje worteltjes
3., 4. enkelvoud meervoud
naamwoord wortel wortels
verkleinwoord worteltje worteltjes

Zelfstandig naamwoord

wortel m

  1. (groente) de eetbare wortel van de peen Daucus carota Wikispecies-logo-en.png
    We hebben wortelen met erwten gegeten.
  2. (plantkunde) het ondergrondse gedeelte van een plant of boom
    Als je onkruid wiedt moet je de wortels niet in de grond laten, want dan groeit het zo weer terug.
  3. (wiskunde) een getal gezien in zijn verhouding tot het getal van zijn tweede macht, derde macht, enz
    De wortel van honderdvierenveertig is twaalf.
  4. (taalkunde) een woord ontdaan van alle voor- en achtervoegsels en uitgangen
    [D]e meeste werkwoorden worden gevormd door achter de wortel een suffix te voegen; zo'n wortel + suffix heet thema of stam en achter die stam komen dan de persoonsuitgangen, althans in 't praesens.[1]
  5. inplanting of dat waaruit iets ontspringt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. dbnl

Werkwoord

vervoeging van
wortelen

wortel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wortelen
    Ik wortel.
  2. gebiedende wijs van wortelen
    Wortel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wortelen
    Wortel je?

Meer informatie


Indonesisch

Zelfstandig naamwoord

wortel

  1. wortel