bond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bond bonden
verkleinwoord bondje bondjes

Zelfstandig naamwoord

bond m [2]

  1. samenwerkingsverband
  2. vereniging
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord bond bonds
verkleinwoord bondje bondjes

Zelfstandig naamwoord

bond m

  1. (financieel) (economie) obligatie
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
binden

bond

  1. enkelvoud verleden tijd van binden
    Ik bond.
    Jij bond.
    Hij, zij, het bond.


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal