bond
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- bond
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| binden |
bond
- enkelvoud verleden tijd van binden
- Ik bond.
- Jij bond.
- Hij, zij, het bond.
- Ik bond.
| vervoeging van |
|---|
| binden |
bond