kok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2]: Een kok

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kok
enkelvoud meervoud
naamwoord kok koks
verkleinwoord kokje kokjes

Zelfstandig naamwoord

kok m

  1. (kookkunst) iemand die voedsel bereidt tot een maaltijd
  2. (beroep) iemand die het bereiden van maaltijden als beroep heeft
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord kok kokken
verkleinwoord kokje kokjes

Zelfstandig naamwoord

kok m

  1. (medisch) (biologie) (informeel) coccus

Werkwoord

vervoeging van
kokken

kok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokken
    Ik kok.
  2. gebiedende wijs van kokken
    Kok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokken
    Kok je?


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kok
Naar frequentie 13188

Werkwoord

kok

  1. gebiedende wijs van koke
m
[A]+[B]+[C]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kok     koken     koker     kokene  
genitief   koks     kokens     kokers     kokenes  

Zelfstandig naamwoord

[A} kok, m

  1. klomp, klont, kluit
  2. hoop
Synoniemen
Afgeleide begrippen
o
[B]+[C]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kok     koket     kok     koka
kokene  
genitief   koks     kokets     koks     kokas
kokenes  

Zelfstandig naamwoord

[B} kok, m / o

  1. (kookkunst) (het) koken, kook
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bringe i kok
aan de kook brengen

Zelfstandig naamwoord

[C] kok, m / o

  1. (kookkunst) partij die in een keer gekookt kan worden
Schrijfwijzen
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kok

Werkwoord

kok

  1. gebiedende wijs van koke
Afgeleide begrippen
m
[A]+[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kok     koken     kokar     kokane  

Zelfstandig naamwoord

[A} kok, m

  1. klomp, klont, kluit
  2. hoop
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B} kok, m

  1. (kookkunst) (het) koken, kook
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bringe i kok
aan de kook brengen
o
[C]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kok     koket     kok     koka  

Zelfstandig naamwoord

[C] kok, o

  1. (kookkunst) (het) koken
Synoniemen