verband

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·band
enkelvoud meervoud
naamwoord verband verbanden
verkleinwoord verbandje verbandjes

Zelfstandig naamwoord

verband o

  1. een strook stof om een wond e.d. mee af te dekken
    De verpleegster legde een nieuw verband aan omdat het oude helemaal vies was geworden.
  2. gezamelijke verandering
    Zou er een verband zijn tussen sporten en roken?
  3. (bouwkunde) het ten opzichte van elkaar laten verspringen van verbindingsnaden
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie