pat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pat
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pat | patten |
| verkleinwoord | patje | patjes |
Zelfstandig naamwoord
- (wielrijden) een van beide houders die het wiel in de vork houdt
- Zorg dat het wiel goed in de patten zit!
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
| [C] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | pat | paten |
| verkleinwoord | patje | patjes |
Woordherkomst en -opbouw
Van het Franse patte, onomatopeïsch.[1]
Zelfstandig naamwoord
[B] pat o
- (kleding) kledingstrookje
- Doorknoopsluiting met verstelbaar pat.
Hyponiemen
Verwijzingen
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | pat |
| verbogen | - |
Bijvoeglijk naamwoord
pat
- (schaak) alleen predicatief een toestand waarin een speler geen enkele zet kan doen zonder zichzelf aan schaak bloot te geven
- Dit spel staat pat en dat betekent remise.
Afgeleide begrippen
Elamitisch
Zelfstandig naamwoord
pat
Roemeens
Zelfstandig naamwoord
pat o
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wielrijden in het Nederlands
- Bezieldheid: niet geanimeerd
- Metadomein: fysiek
- Kleding in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Schaak in het Nederlands
- Woorden in het Elamitisch
- Zelfstandig naamwoord in het Elamitisch
- Woorden in het Roemeens
- Zelfstandig naamwoord in het Roemeens