pat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat
enkelvoud meervoud
naamwoord pat patten
verkleinwoord patje patjes

Zelfstandig naamwoord

[A] pat v/m

  1. (wielrijden) een van beide houders die het wiel in de vork houdt
    Zorg dat het wiel goed in de patten zit!
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
[C] enkelvoud meervoud
naamwoord pat paten
verkleinwoord patje patjes
Woordherkomst en -opbouw

Van het Franse patte, onomatopeïsch.[1]

Zelfstandig naamwoord

[B] pat o

  1. (kleding) kledingstrookje
    Doorknoopsluiting met verstelbaar pat.
Hyponiemen
Verwijzingen
  1. http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/pad3
stellend
onverbogen pat
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

pat

  1. (schaak) alleen predicatief een toestand waarin een speler geen enkele zet kan doen zonder zichzelf aan schaak bloot te geven
    Dit spel staat pat en dat betekent remise.
Afgeleide begrippen


Elamitisch

Zelfstandig naamwoord

pat

  1. voet


Roemeens

Zelfstandig naamwoord

pat o

  1. bed
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen