beitel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bei·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord beitel beitels
verkleinwoord beiteltje beiteltjes

Zelfstandig naamwoord

beitel m

  1. (gereedschap) een staafvormig, scherp stuk gereedschap met een punt of wigvormige snede aan de "kopse kant"
    De beitel is voor hak- en snijwerk bij menig vakman in gebruik.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beitelen

beitel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
    Ik beitel.
  2. gebiedende wijs van beitelen
    Beitel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
    Beitel je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen