beitel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bei·tel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beitel | beitels |
| verkleinwoord | beiteltje | beiteltjes |
Zelfstandig naamwoord
beitel m
- (gereedschap) een staafvormig, scherp stuk gereedschap met een punt of wigvormige snede aan de "kopse kant"
- De beitel is voor hak- en snijwerk bij menig vakman in gebruik.
Afgeleide begrippen
- houtbeitel, houtdraaibeitel, metaaldraaibeitel, koudbeitel, steenbeitel, graveerbeitel, guts, puntbeitel, voegbeitel
Vertalingen
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beitelen |
beitel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
- Ik beitel.
- gebiedende wijs van beitelen
- Beitel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beitelen
- Beitel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.