schaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een schaakspel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaak
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Perzische sjah (koning)
enkelvoud meervoud
naamwoord schaak -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schaak o

  1. (spel) een bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt
    De koning stond schaak en kon niet weg vanwege een pion.
  2. het schaakspel als zodanig
    Een potje schaak spelen.
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schaken

schaak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaken
    Ik schaak.
  2. gebiedende wijs van schaken
    Schaak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaken
    Schaak je?