schaak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schaak
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Perzische sjah (koning)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schaak | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
schaak o
- (spel) een bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt
- De koning stond schaak en kon niet weg vanwege een pion.
- het schaakspel als zodanig
- Een potje schaak spelen.
Synoniemen
- [2] schaakspel, schaken
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen
2. het schaakspel als zodanig
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schaken |
schaak