mat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mat
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mat | matten |
| verkleinwoord | matje | matjes |
Zelfstandig naamwoord
mat
- v/m rechthoekig stuk vloerbekleding.
- Ik zal die mat eens goed uitkloppen.
- m (numismatiek) oude munt.
| 1 | stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|---|
| onverbogen | mat | matter | matst |
| verbogen | matte | mattere | matste |
Bijvoeglijk naamwoord
mat
- niet glanzend.
- (schaken) zich in een verloren stand bevindend, waarin de koning in de volgende zet geslagen kan
- Dit is in drie zetten mat.
Synoniemen
- [1] dof
Werkwoord
mat
- enkelvoud verleden tijd van meten.
Limburgs
Uitspraak
- IPA: /mɑt/ (Etsbergs)
Bijvoeglijk naamwoord
mat
Wolof
Bijvoeglijk naamwoord
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
mat
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- mat
Zelfstandig naamwoord
mat g
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | mat | maten | - | - |
| genitief | mats | matens | - | - |
Afgeleide begrippen
- barnmat, basmat, burkmat, dietmat, färdigmat, hundmat, julmat, kalasmat, kattmat, koschermat, kvällsmat, matberedare, matbord, matbröd, Matcirkeln, matfett, matförgiftad, matförgiftning, matförråd, matgäst, mathiss, matjord, matkasse, kupong, matkällare, matlagning, matlust, matnyttig, matolja, matos, matpengar, matranson, matrast, matrest, matris, maträtt, matsal, matsedel, matservering, matsilver, matsked, matsmältning, matspjälkning, matstrejk, matstrupe, matställe, matsäck, matvara, middagsmat, skolmat, skräpmat, skåpmat, smalmat, snabbmat
Categorieën: Woorden in het Nederlands | Zelfstandig naamwoord in het Nederlands | Numismatiek in het Nederlands | Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands | Woorden in het Limburgs | Bijvoeglijk naamwoord in het Limburgs | Woorden in het Wolof | Woorden in het Zweeds | Zelfstandig naamwoord in het Zweeds