mat

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat
enkelvoud meervoud
naamwoord mat matten
verkleinwoord matje matjes

Zelfstandig naamwoord

mat

  1. v/m rechthoekig stuk vloerbekleding.
    Ik zal die mat eens goed uitkloppen.
  2. m (numismatiek) oude munt.
1 stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mat matter matst
verbogen matte mattere matste

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. niet glanzend.
  2. (schaken) zich in een verloren stand bevindend, waarin de koning in de volgende zet geslagen kan
    Dit is in drie zetten mat.
Synoniemen

Werkwoord

mat

  1. enkelvoud verleden tijd van meten.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /mɑt/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. kleurloos
  2. grijsachtig


Wolof

Bijvoeglijk naamwoord

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mat

  1. volledig, compleet.


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat

Zelfstandig naamwoord

mat g

  1. eten, voedsel.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mat     maten     -     -  
genitief   mats     matens     -     -  
Afgeleide begrippen
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/mat"
Persoonlijke instellingen