supporter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sup·por·ter
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | supporter | supporters |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
supporter m
- (sport) iemand die een bepaalde club of speler steunt
- De supporters raakten weer eens slaags.
Vertalingen
1. iemand die een bepaalde club steunt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| supporteren |
supporter
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van supporteren
- Ik supporter.
- gebiedende wijs van supporteren
- Supporter!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van supporteren
- Supporter je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Frans
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| supporter | le supporter | supporters | les supporters |
Zelfstandig naamwoord
supporter m