avoir
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Frans
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudfranse woord aveir.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| avoir /ɑvwaʁ/ |
avais /ɑvɛ/ |
eu /y/ |
| volledig | ||
Werkwoord
avoir
- (overgankelijk) hebben
- «J'ai un chien.»
- Ik heb een hond.
- «J'ai un chien.»
- (hulpwerkwoord) zijn, hebben
- «J'ai été surpris.»
- Ik was verrast.
- «J'ai couru.»
- Ik heb gelopen.
- «J'ai été surpris.»
- (overgankelijk) zijn (leeftijd)
- «Mon frère a treize ans.»
- Mijn broer is dertien jaar oud.
- «Mon frère a treize ans.»