had
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /hɑt/
- (Vlaanderen, Brabant): /hɑt/
- (Limburg): /hɑd/
Woordafbreking
- had
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hebben |
had
- enkelvoud verleden tijd van hebben
- Ik had.
- Jij had.
- Hij, zij, het had.
- Ik had.
- vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd
- Had toch langsgekomen!
Bretons
Zelfstandig naamwoord
had
Engels
Werkwoord
had
Slowaaks
Zelfstandig naamwoord
had m
Tsjechisch
Zelfstandig naamwoord
had m
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Bretons
- Zelfstandig naamwoord in het Bretons
- Woorden in het Engels
- Werkwoordsvorm in het Engels
- Woorden in het Slowaaks
- Zelfstandig naamwoord in het Slowaaks
- Dierkunde in het Slowaaks
- Woorden in het Tsjechisch
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Dierkunde in het Tsjechisch