bezitten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zit·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bezitten /bə'zɪtə(n)/ |
bezat /bəzɑt/ |
bezeten /bə'zetə(n)/ |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
bezitten
- (overgankelijk) iets in eigendom hebben
- Hij bezat een groot landgoed in Frankrijk.
- vnl. lijdende vorm + van geestelijk geobsedeerd worden
- Hij was bezeten van snelle auto's en mooie vrouwen.
Opmerkingen
- Vanwege de specifieke tweede betekenis wordt de lijdende vorm van de eerste meestal vermeden.