arm

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm
enkelvoud meervoud
naamwoord arm armen
verkleinwoord armpje armpjes

Zelfstandig naamwoord

arm m

  1. (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
  2. een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
  3. dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
  4. leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • arm in arm lopen
gearmd lopen (met de rechterarm van de ene persoon om de linkerarm van de andere persoon)
  • de armen ter hemel heffen
als uiting van verdriet of woede, om Gods hulp of wraak aan te roepen
  • de lange arm der wet
de verregaande macht van de wet
  • Hij loopt met zijn ziel onder zijn arm.
    Hij zit met zijn ziel onder zijn arm.
Hij verveelt zich, hij is verdrietig.
  • iemand een arm geven
iemand aan de arm nemen, de arm ter steun aanbieden
  • iemand in de armen vliegen
vol emotie iemand omarmen
  • met zijn armen over elkaar zitten
de onderarmen gekruist voor de borst hebben
moedeloos zijn
niets doen
  • zich uit iemands armen losrukken
    zich uit iemands armen losscheuren
zich met moeite, tegenzin uit iemands omhelzing losmaken
Typische woordcombinaties
  • aan de arm lopen (van een verpleger)
  • in de arm nemen (een makelaar als je zijn hulp inroept)
  • onder de arm nemen (een tas)
Vertalingen

Meer informatie

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen arm armer armst
verbogen arme armere armste

Bijvoeglijk naamwoord

arm

  1. niets of bijna niets bezittend
    De school staat in de armste wijk van de stad.
  2. beklagenswaardig
    Ze hebben die arme hond in een stikhete auto achtergelaten.
  3. geen of weinig natuurlijke rijkdom bezittend
    Die plant doet het goed op arme gronden.
Synoniemen
Antoniemen
  • rijk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • arm schaap
beklagenswaardig of onschuldig persoon
  • de arme landen
ontwikkelingslanden, derde wereldlanden
  • een illusie armer
niet langer deze illusie koesterend
  • zo arm als Job (naar Job 1:13-22)
    zo arm als de straat
    zo arm als de mieren, een kerkrat
erg arm
Vertalingen


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ɑːm/ (UK)
  • IPA: /ɑɹm/ (US)

Zelfstandig naamwoord

arm

  1. arm


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief arm arme
genitief arms arme
datief arme armen
accusatief arm arme

Zelfstandig naamwoord

arm m

  1. arm


Zweeds

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   arm     armen     armar     armarna  
genitief   arms     armens     armars     armarnas  

Zelfstandig naamwoord

arm

  1. arm