arm
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Lettergrepen
- arm
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | arm | armen |
| verkleinwoord | armpje | armpjes |
arm m
- (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
- een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie.
- dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm.
- leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten.
Synoniemen
- 2 tak
Spreekwoorden
- Arm in arm lopen.
- Gearmd (met de rechterarm van de ene persoon om de linkerarm van de andere persoon) lopen.
- De armen ter hemel heffen.
- Als uiting van verdriet of woede, om Gods hulp of wraak aan te roepen.
- De lange arm der wet.
- De verregaande macht van de wet
- Hij zit/loopt met zijn ziel onder zijn arm.
- Hij verveelt zich, hij is verdrietig.
- Iemand een arm geven.
- Iemand aan de arm nemen, de arm ter steun aanbieden.
- Iemand in de armen vliegen.
- Vol emotie iemand omarmen.
- Met zijn armen over elkaar zitten.
- De onderarmen gekruist voor de borst hebben.
- Moedeloos zijn.
- Niets doen.
- Zich uit iemands armen losrukken/losscheuren.
- Zich met moeite, tegenzin uit iemands omhelzing losmaken.
Vertalingen
1. lichaamsdeel
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bijvoeglijk naamwoord
arm
- niets of bijna niets bezittend
- beklagenswaardig
- geen of weinig natuurlijke rijkdom bezittend
Synoniemen
Antoniemen
- rijk
Spreekwoorden
- Arm schaap.
- Beklagenswaardig of onschuldig persoon
- De arme landen.
- Ontwikkelingslanden, derde wereldlanden
- Een illusie armer
- Niet langer deze illusie koesterend
- Zo arm als Job (naar Job 1:13-22), als de straat, de mieren, een kerkrat.
- Erg arm
Vertalingen
1. weinig bezittend
2. beklagenswaardig

