dop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dop | doppen |
| verkleinwoord | dopje | dopjes |
Zelfstandig naamwoord
dop m
- een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
- Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken.
- kapje ter afsluiting van iets
- Doe even de dop op die fles!
- (volkstaal) oogleden
- Kijk uit je doppen!
- (biologie) eierschaal
- Beter een half ei dan een lege dop.
- (gereedschap) onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit
- In de auto ligt een kruisleutel met vier doppen.
Afgeleide begrippen
- [2] schroefdop
- [5] dopsleutel
Verwante begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| doppen |
dop
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
- Ik dop.
- gebiedende wijs van doppen
- Dop!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
- Dop je?
Zweeds
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
dop o
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | dop | dopet | dop | dopen |
| genitief | dops | dopets | dops | dopens |