dop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dop
enkelvoud meervoud
naamwoord dop doppen
verkleinwoord dopje dopjes

Zelfstandig naamwoord

dop m

  1. een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
    Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken.
  2. kapje ter afsluiting van iets
    Doe even de dop op die fles!
  3. oogleden.
    Kijk uit je doppen!
  4. eierschaal.
    Beter een half ei dan een lege dop.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
doppen

dop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    Ik dop.
  2. gebiedende wijs van doppen
    Dop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    Dop je?


Zweeds

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dop o

  1. doopsel
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen