zijnen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·nen

Zelfstandig naamwoord

zijnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zijne
    • Dit was een grote overwinning voor hem en de zijnen. 

Bezittelijk voornaamwoord

zijnen

  1. (verouderd) datief m/o en accusatief m van zijn
    • te zijnen aanzien. 
    • Het licht der Goddelijke openbaring had zijnen geest bestraald. 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.