wapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘strijdwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1237 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wapen wapens
wapenen
verkleinwoord wapentje wapentjes

Zelfstandig naamwoord

wapen o [3]

  1. een werktuig van geweld
  2. een wapenschild
  3. een onderscheidingsteken van een familie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een balk in zijn wapen voeren
  • Groots ( of hoog ) in zijn wapen zijn
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wapenen

wapen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
    • Ik wapen. 
  2. gebiedende wijs van wapenen
    • Wapen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
    • Wapen je? 

Verwijzingen