wapenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·pe·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wapenen
wapende
gewapend
zwak -d volledig

Werkwoord

wapenen

  1. overgankelijk voor de strijd uitrusten
    • zij wapenden de soldaten met geweren 
  2. overgankelijk uitrusten met iets, versterken
    • zij wapenden het beton met veel ijzer 
    • Het boek wapent de lezer met de benodigde vaardigheden en kennis. 
  3. wederkerend zich ~ met: zich van bescherming of wapens voorzien
    • Ze wapenen zich met wat ze mee kunnen brengen, van stokken tot pistolen, jachtgeweren tot kalasjnikovs. [1]
  4. wederkerend zich ~ tegen: zich versterken ter bescherming tegen aanvallen, zich voorbereiden op aanvallen
    • De democratische rechtsstaat zal zich dienen te wapenen tegen ondermijning van zijn fundamentele waarden. 
Vertalingen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

wapenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wapen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen