wapenrusting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een harnas als wapenrusting
Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·pen·rus·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wapenrusting wapenrustingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wapenrusting v

  1. (militair) metalen of zwaar leren kleding die door soldaten werd gedragen als een soort pantser
    • „Het is wel lastig om in je rol te blijven”, zegt Sander van den Brink, lid van de re-enactment-vereniging Pax Romana en bedenker van het leefexperiment, „terwijl je uitkijkt op nieuwbouw, en auto’s, fietsers en joggers die voorbijkomen”. Maar als hij ’s ochtends voor zonsopgang op wacht staat, voelt hij dezelfde ochtendkou die een soldaat in de eerste eeuw gevoeld moet hebben. „En dan denk ik: Had ik toch maar m’n wollen tunica onder m’n wapenrusting aangetrokken.”[1] 
  2. de wapens van een militair
    • In Dalfsen is een vroegmiddeleeuws grafveld met twee elitegraven opgegraven. De graven bevatten opvallend rijke grafgiften. De man, een krijger, kreeg een volle wapenrusting mee, de vrouw twee paar mantelspelden, Angelsaksisch aardewerk en barnstenen kettingen.[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Theo Toebosch 18 augustus 2016
  2. NRC 7 april 2016