nok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een nokkenas met een nok voor elke klep

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nok
enkelvoud meervoud
naamwoord nok nokken
verkleinwoord nokje nokjes

Zelfstandig naamwoord

nok v/m

  1. (bouwkunde) het hoogste gedeelte van een schuin dak
  2. (bouwkunde) horizontale snijlijn van twee dakschilden
  3. (motortechniek) een uitstulping op een as waarmee het openen en sluiten van de kleppen wordt gestuurd
    Een nokkenas met versleten nokken.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • nok
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Nederduitse woord "noch".
Naar frequentie 110

Bijwoord

nok

  1. genoeg, voldoende
    «Nå har vi arbeidet nok for i dag.»
    Nu hebben we voor vandaag genoeg gewerkt.
  2. nog
    «Ta nok et glass.»
    Neem nog een glas.
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • nok
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Nederduitse woord "noch".

Bijwoord

nok

  1. genoeg, voldoende
    «Nå har vi arbeidd nok for i dag.»
    Nu hebben we voor vandaag genoeg gewerkt.
Synoniemen


Oezbeeks

Zelfstandig naamwoord

nok

  1. (fruit) peer
Schrijfwijzen
  • Cyrillische transcriptie: нок.