monarch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·narch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘alleenheerser’ voor het eerst aangetroffen in 1605 [1]
  • met het voorvoegsel mono- en met het achtervoegsel -arch [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord monarch monarchen
verkleinwoord monarchje monarchjes

Zelfstandig naamwoord

monarch m [3]

  1. alleenheerser
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen