prince

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prin·ce
Woordherkomst en -opbouw
  • van Frans prince, de titel van het hoofd van een rederijkerskamer, doorgaans de voornaamste financier, omdat het oorspronkelijk gebruik was de slotstrofe van een rederijkersgedicht aan hem op te dragen [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord prince princes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

prince m

  1. (dichtkunst) aanhef van de slotstrofe, zoals die traditioneel in een rederijkersgedicht voorkomt
     Na drie strofen waarin de opgegeven vraag is behandeld, volgt nog een vierde: de prince. De dichter richt zich hierin tot de aanwezigen.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 12 juni 2021 Weblink bron “Algemeen letterkundig lexicon : prince” op dbnl.org op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 12 juni 2021 Weblink bron J.B. Oosterman Tussen twee wateren zwem ik. Anthonis de Roovere tussen rederijkers en rhétoriqueurs. in: Jaarboek De Fonteine, jrg. 49/50 (1999/2000), p. 12


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
prince princes

Zelfstandig naamwoord

prince

  1. (adel) prins


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • prince (afbreking leidend tot een of twee tekens aan het begin van een regel wordt ontraden)[1]
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   prince     le prince     princes     les princes  
vrouwelijk   princesse     la princesse     princesses     les princesses  

Zelfstandig naamwoord

prince m

  1. (adel) prins

Verwijzingen

  1. 'prince' op website: plumefrancaise.fr; geraadpleegd 2016-09-05