Naar inhoud springen

wantrouwen

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
wantrouwenwantrouwig
  • wan·trou·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wantrouwen
wantrouwde
gewantrouwd
zwak -d volledig

wantrouwen

  1. overgankelijk niet vertrouwen, argwanend zijn tegen
    • Wantrouw e-mails met bijlagen van onbekende afzenders. 
     Ik zou eraan toevoegen dat het erom gaat dat de mens vooral bestaat uit motoriek, evenals de taal, en dat we ons niet hoeven te bewegen om bewogen te raken en dat onze huidige angst voor het serieuze is overgeslagen op onze angst voor en wantrouwen jegens het woord.[5]
     Koestler vertelt even verder: `Langzamerhand leerde ik mijn mechanistische preoccupatie met de feiten wantrouwen en de wereld om mij heen zien in het licht van de dialectische interpretatie.[6]
enkelvoud meervoud
naamwoord wantrouwen -
verkleinwoord - -

hetwantrouweno

  1. afwezigheid van vertrouwen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]