fiducie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·du·cie
enkelvoud meervoud
naamwoord fiducie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fiducie v

  1. geloof, vertrouwen
    Ons geldstelsel welke [sic] nu is gebaseerd op fiducie met de us$ als sleutelvaluta zal het komende decennium een herijking ondergaan na hyperinflatie van de us$[1]
Verwijzingen
  1. Beurscyclus.nl