trust

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trust
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trust trusts
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

trust m [2]

  1. het (illegaal) samenwerken van bedrijven met het doel een monopoliepositie te krijgen
  2. (juridisch) beheersvorm waarbij de beheerder handelt als eigenaar
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to trust
he/she/it trusts
verleden tijd trusted
voltooid
deelwoord
trusted
onvoltooid
deelwoord
trusting
gebiedende wijs trust

Werkwoord

trust

  1. vertrouwen