controle

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tro·le
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord controle controles
verkleinwoord controletje controletjes

Zelfstandig naamwoord

controle v/m

  1. toezicht, inspectie, onderzoek, nazien
    • Voor het opstijgen van het vliegtuig voerde de bemanning nog een laatste controle uit. 
     'Maar, mam. . . mijn medicijnen, ik moet terugkomen voor controles. . . Chantal wil. . . 'Dorien tikte bemoederend op de rug van zijn hand.[4]
  2. beheersing, overheersing
     Ik denk beter na met een pen in mijn hand. Inkt verheldert. Alleen door op te schrijven wat er was gebeurd, kon ik de controle herwinnen over mijn gedachten. Dat was de opdracht die ik mijzelf had gesteld. Daarom was ik hier.[5]
     ‘Ik wist niet veel over paarden, heb twee weken allemaal YouTube-filmpjes over paarden gekeken. Ik ben eigenlijk loodgieter en heb al mijn gereedschap en mijn bestelbus verkocht, waarvan ik deze twee paarden heb gekocht voor 2500 dollar per stuk. Maar ik begrijp nu waarom de vorige eigenaar van ze af wilde, ze luisteren totaal niet, superkoppig, net ezels. Gelukkig krijg ik ze nu langzaam wel onder controle.[6]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
controlar

controle

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar