controle

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tro·le
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord controle controles
verkleinwoord controletje controletjes

Zelfstandig naamwoord

controle v/m

  1. toezicht, inspectie, onderzoek, nazien
    Voor het opstijgen van het vliegtuig voerde de bemanning nog een laatste controle uit.
  2. beheersing, overheersing
    De behendige wielrenner verloor door de te hoge snelheid tijdens de afdaling, toch nog de controle over zijn fiets en viel hard op de weg.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
controlar

controle

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van controlar