Naar inhoud springen

uitdijen

Uit WikiWoordenboek
  • uit·dij·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdijen
dijde uit
uitgedijd
zwak -d volledig

uitdijen

  1. ergatief meer of groter worden, toenemen
    • De beverstand zal de komende jaren verder uitdijen door projecten die de rivieren en beken meer ruimte geven. 
  2. ergatief in omvang toenemen, aangroeien
    • Einstein ging ook uit van een statisch heelal, maar uit zijn algemene relativiteitstheorie bleek onomstotelijk dat het heelal moest uitdijen of ineenstorten. 
     Vanuit de ruimte komen beelden door die bevestigen wat de wervelende vogels en rennende geiten al lijken te weten, namelijk dat deze tyfoon voeding genoeg heeft gevonden om op topsnelheid uit te dijen tot een doorsnee van bijna vijfhonderd kilometer.[1]
  3. ergatief dikker worden, opzwellen
    • Laat het licht langzaam uitdijen zodat het je hele kamer vult. 
  4. wederkerend zich ~ in omvang toenemen
    • Het tekort op de begroting heeft zich alsmaar uitgedijd. 
98 %van de Nederlanders;
93 %van de Vlamingen.[2]
  1. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be