Naar inhoud springen

dijen

Uit WikiWoordenboek
  • dij·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dijen
dijde
gedijd
zwak -d volledig

dijen

  1. toenemen, groeien, tot wasdom komen

dedijenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dij
     Ik had pijn van de kramp in mijn dijen en onder in mijn rug.[4]
     Met het vilmes stroopte hij de rode vacht van de dijen en de pootjes.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. dijen op website: Etymologiebank.nl
  3. Oudnederlands Woordenboek
  4. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  5. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be