slinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slin·ken
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: slinken
Germaans: *slinkan
  • Verwant in Germaans:
West: Angelsaksisch: slincan «kruipen», Engels: to slink
Noord: Zweeds: slinka

Een nevenvorm van "slinken" was in het Middelnederlands "slingen". Van dit werkwoord is nog de iteratiefvorm "slingeren" overgebleven.

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slinken
/ˈslɪŋkə(n)/
slonk
/slɔŋk/
geslonken
/ɣəˈslɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

slinken

  1. ergatief (in massa of omvang) minder worden, inkrimpen
    • Het ijsklontje slonk in de zon. 
  2. ergatief (in kracht) minder worden, verslappen
    • De kracht van de tegenstanders slinkt zienderogen. 
  3. ergatief (in aantal of hoeveelheid) minder worden
    • Wegens de kredietcrisis is het aantal gegadigden voor nieuwbouwwoningen fel geslonken. 
  4. ergatief geleidelijk verdwijnen, wegdeemsteren
    • De kade van Oostende slonk beetje bij beetje naarmate het schip volle zee bereikte. 
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slinking slinkend
slenk slank


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.